4. besef van hun gedrag en de gevolgen

4. Instellingen.

In Vlaanderen zijn er twee grote gemeenschapsinstellingen:
De Kempen en De Zande. Elk bestaande uit twee campussen.

De Kempen is samengesteld uit De Hutten waar 40 gesloten
plaatsen zijn en De Markt met tien gesloten plaatsen voor meisjes en 72 open plaatsen
voor jongens.

De Zande is dan weer opgebouwd in Ruislede met 29 gesloten
en 54 open plaatsen voor jongens en Beernem met tien open en 30 gesloten
plaatsen voor meisjes.

Ook zijn er twee gesloten federale centra. Namelijk De
Grubbe in Everberg, goed voor 40 plaatsen voor jongens en De wijngaard in
Tongeren waar 34 plaatsen zijn voor jongens.

Het grote verschil tussen de open en de gesloten instelling
is dat bij de gesloten afdelingen het toezicht en de regels veel strenger zijn.
In beide instellingen vertoeven de jongeren het meest in de instelling zelf.

 

4.1 Open instellingen of gemeenschapsinstellingen.

In gemeenschapsinstellingen wordt er gezorgd voor
kwaliteitsvolle pedagogische begeleiding. Dit gebeurt door begeleiders en
maatschappelijke werkers maar ook door psychologen en leerkrachten. Ook is er
een aanbod gebaseerd op expliciete hulpvragen van de jongere.

De gemeenschapsinstellingen geven de hulp die de jongeren
nodig heeft. Samen met de consulent, de jeugdrechter en de ouders zoeken de instelling
en de jongere naar de meest gepaste hulp die te bieden valt.

Het verblijf van de jongere in de gemeenschapsinstelling
wordt opgedeeld. Het verblijf start bij de module oriëntatie. Deze module is zo
kort mogelijk en wordt binnen een tijd van maximaal één maand afgesloten. Er
wordt gezocht naar een onderbouwde raadgeving of antwoord op de vraag welke
begeleidingsmodule het best wordt gegeven aan de jongere om hem te helpen.

In de begeleidingsmodule doelt men op gedragsverandering
door middel van methodisch gemotiveerde acties, onderwijs -en pedagogische
activiteiten. Om tot deze gedragsverandering te komen brengt de
begeleidingsmodule drie doelen aan:

–         
Verkenning: de jongeren denken na over de
gepleegde daden voor de plaatsing en verkrijgen zo het besef van hun gedrag en
de gevolgen ervan op zichzelf en hun omgeving.

–         
Vergroten van inzichten, competenties en
vaardigheden: de jongeren breiden deze aspecten uit om herval tegen te gaan en
de bevordering van hun welzijn.

–         
Transfer en verbinding: de jongeren leren
datgene wat ze tijdens hun verblijf geleerd hebben gebruiken, in de overgang
naar hun nieuwe onderkomen. Hierdoor wordt het mogelijk om de instelling te
verlaten.  

In een aparte module, herstelgerichte time-out, is het de
bedoeling de jongere te heroriënteren. Wanneer de hulpverlening in een
minder-beveiligde instelling het gevaar loopt tilt te slaan, geeft het de
jongere de gelegenheid om te werken naar een herneming in de instelling.

In 2001-2003 werd het hulpverleningsaanbod van gemeenschapsinstellingen
behoorlijk gereorganiseerd. Ze trachtten hierbij meer verbinding en
transparantie in de aanpak te vinden. Met dit in het achterhoofd werd de
pedagogische werking van de gemeenschapsinstellingen ondersteund door drie pijlers: 

–         
Systeemgerichte pijler (contextgericht werken)

–         
Belevingsgerichte pijler (ervaringsgericht
werken)

–         
Gedragsgerichte pijler (opvoedkundige
vaardigheden van Patterson)

Deze pijlers houden de cruciale aspecten die in alle
stabiele hulpverleningen in alternerende graad optreden, de beleving, sociale
relaties en het gedrag. Deze aspecten zullen bij alle jongeren in verscheidene
doseringen aan bod komen, dit is gebonden aan de eigen behoeften, het traject
en de hulpvraag van elke jongere afzonderlijk.

De organisatie van het hulpverleningsaanbod gebeurd nu in
twee ‘aanbodclusters’. Enerzijds is er het basale hulpverleningsaanbod,
anderzijds het specifieke hulpverleningsaanbod.

Onder het basale hulpverleningsaanbod verstaan we de
verblijfsfunctie, de opvoedende omgang, de dagbesteding en de toezichtsfunctie.
Het wordt aangeboden aan alle jongeren die in de instelling vertoeven ongeacht
hun problematiek, leeftijd, etnische afkomst, geslacht, et cetera.

Datgene dat doelgericht wordt aangereikt aan elke jongere
individueel is het specifieke hulpverleningsaanbod. Dit specifieke aanbod wordt
gegeven tijdens de cliëntenbespreking, die twee keer per week voorkomt.

 

4.2. Gesloten instellingen of gesloten federale
centra. 

De Grubbe en De Wijngaard zijn gesloten instellingen, waar
jongeren geplaatst kunnen worden als ze zeer ernstige feiten gepleegd hebben of
er van verdacht worden en er geen beschikbare plaatsen zijn in de andere
instellingen. In een gesloten instelling is de nadruk gelegen op de beveiliging
van de gemeenschap.

De plaatsing in deze centra is echter enkel uitvoerbaar als
de jeugdrechter beslist dat de feiten aan de voorwaarden voldoen:

–         
De jongere heeft een leeftijd tussen veertien en
twintig jaar.

–         
Heeft een ernstig als misdrijf omschreven feit
(MOF) gepleegd of wordt hiervan verdacht.

–         
Er zijn uitzonderlijke omstandigheden, de
openbare veiligheid moet beschermd worden.

–         
Er is geen passende plek meer vrij in een van de
andere gemeenschapsinstellingen.

Bij de gesloten instellingen geldt er een maximumtijd. De
rechter kan een jongere maar twee maand en vijf dagen in dergelijke
instellingen plaatsen. Daarna moet hij een ander oordeel geven. Wanneer de
rechter de jongere in een gesloten instelling plaatst is dit eerst voor vijf
dagen. Na deze vijf dagen moet de jongere nogmaals bij de jeugdrechter komen.
Verlengt deze het verblijf, zal de jongere na één maand opnieuw voor de rechter
moeten verschijnen. De jeugdrechter kan dan beslissen of de jongere nog één
maand in de instelling zal moeten verblijven.

In de eerste vijf dagen van zijn verblijf, zit hij in een
onthaalregime. Tijdens het onthaalregime verblijft de jongere merendeels op
zijn eigen kamer en komt alleen in contact met andere jongeren, die ook in het
onthaalregime verblijven, tijdens sportactiviteiten.

Bij het verlengen van het onderkomen schakelt de jongere
over naar een leefgroep en krijgt er een ruimer aanbod van onderwijs, sport en
activiteiten.

 

4.2.1. Modellen bij de jeugdrechter.

Bij de keuze een jongere in een gesloten instelling te
plaatsen laat de jeugdrechter zich leiden door drie modellen.

–         
Het beschermingsmodel: dit model is in de eerste
plaats gesteld op heropvoeding, maar ook op bescherming van de jongere.

–         
Het sanctiemodel: bij dit model staat het
misdrijf zelf centraal, meer bepaalt de omstandigheden en ernst ervan.  Het doel van dit model is de jongere op zijn
verantwoordelijkheden wijzen en ook de jongere afschrikken.

–         
Het risico-managementmodel: plaatsingen vanuit
het risico-managementmodel zijn gericht op het verhogen van de veiligheid van
de samenleving. Dit model gaat anderzijds over het voorkomen van criminaliteit.
Het Heeft ook oog voor de openbare veiligheid en het risico op terugval.

 

4.2.2. Modellen bij maatschappelijke werkers.

In gesloten instellingen zijn het de sociaal of
maatschappelijke werkers die het vervolgtraject van de jongeren geven.  Ze maken de jongere attent op zijn gedrag,
keuzes en de gevolgen hiervan. Ze wijzen ook op de verantwoordelijkheid van de
jongere. Ze moeten een uitgebalanceerde bijdrage hebben, oog op het voorkomen van
een terugval maar ook voor het probleemoplossend vermogen van de jongeren.

Doordat de jongeren maar maximum twee maanden en vijf dagen
in de instelling verblijft hebben de sociaal werkers zeer weinig tijd om vanuit
al deze hoeken inzicht te krijgen op de situatie van de jongere. Daarom halen
ze veel info uit de gesprekken met de jongere en zijn ouders. In deze
gesprekken worden ook modellen gebruikt.

 

–         
De ‘structured assessment of violence risk in
youth’ (SAVRY) is een hulpmiddel om het risico van geweld te meten. De
resultaten worden op een schaal weergegeven.

–         
Het ‘risk-need-responsivity-model’ (RNR) bekijkt
het voorkomen van recidive en het risicobeheer.

Deze twee modellen leggen de nadruk op de ernst van de
gepleegde delicten en leggen minder de focus op de reden voor het delict.

Er zijn twee andere modellen die alle factoren in beeld
brengen, maar niet gebruikt worden in de praktijk.

–         
Het ‘good lives model’: dit model legt de focus
op de bekwaamheid en het vermogen van de jongere. Het model zorgt ervoor dat de
jongere wordt aangezien als een mens.

–         
‘Signs of safety’: bij dit model wordt er samen
met de jongere gezocht naar de beste uitweg. Hierbij zal dan de securiteit van
de jongere in het middelpunt staan.

Deze twee modellen leggen de nadruk op het doelgericht
werken.

 

4.3. Onderwijs.

Een jongere die in een instelling geplaatst is volgt in de
instelling zelf school. Het traject wordt voor elke leerling apart beslist aan
de hand van zijn vaardigheden, houding en vorige schoolloopbaan. Maar ook op
basis van zijn toekomstmogelijkheden. Het programma is opgebouwd uit de
algemene vakken (zoals taal, wiskunde, sociale vaardigheden, lichamelijke
opvoeding, informatica, maatschappelijke vorming …) en wordt al dan niet
vervolledigt met een praktijkopleiding. Per week krijgen de jongeren 27 uur en
50 minuten les. Ook tijdens vakanties blijven de lessen gewoon doorgaan. Wel
hebben ze drie weken vakantie in juli en augustus en één week tussen Kerstmis
en nieuwjaar.

Er zijn vijf onderwijstrajecttypes.

–         
Schoolloopbaan: Dit type is voornamelijk voor de
leerlingen die na hun plaatsing voltijds onderwijs willen volgen. Het doel is
om de motivatie van deze jongeren opnieuw aan te wakkeren, hen leermomenten aan
te reiken, hen in de beroepenvelden te oriënteren en vaardigheden aan te leren.

–         
Alternaterend werken en leren: In dit type staat
de werkhouding centraal en is bedoeld voor jongeren van zestien of ouder die
deeltijds onderwijs willen volgen.

–         
Zelfstandigheid: Dit type is bedoeld om jongeren
ouder dan zeventien jaar voor te bereiden op werken en zelfstandig wonen door
hen de juiste arbeidshouding en zelfstandigheid mee te geven.

–         
Anderstaligen: Voor jongeren die de Nederlandse
taal onmachtig zijn doelt men in dit type op het volledig aanleren van de taal.

–         
Individuele opvolging: Dit type is voor jongeren
die vanwege persoonlijke redenen zoals gedragsmoeilijkheden of cognitieve
problemen … niet in de andere types thuishoren.

Bij het verlaten van de instelling terug naar school gaan is
niet zo makkelijk. Eén derde van de jongeren maakt zijn school niet af,
sommigen vertoeven in de gevangenis of volgen een ander hulptraject waardoor
naar school gaan niet mogelijk is. Bovendien is het merendeel van de
instellingsverlaters achttien of ouder en daarmee niet meer leerplichtig.

Bij leerlingen die bij het verlaten van de instelling wel terug
naar school gaan, wordt het onderwijstraject dat ze in de instelling gevolgd hebben
niet meegenomen. Ook de CLB-begeleiding moet worden heropgestart. De ervaringen
in de instelling worden dus niet opgenomen in het nieuwe begeleidingsaanbod waardoor
de schoolcarrière van de jongeren in gevaar komt of meer aandacht vereist.